Oorspronkelijk heb ik de “kooi” gemaakt als een – autobiografisch te beschouwen – werk, waaraan een innerlijke strijd besloten ligt tussen expressieve creativiteit, gesymboliseerd door de kleurige vogel enerzijds en de beperkingen die ik mijzelf – onbewust – opleg, waardoor ik bij de uitvoering van een idee vrijwel altijd voor een traditionele benadering kies. De kooi benadrukt met het aangebrachte patina dan ook ‘een vastgeroest zitten in de traditie (classicisme?)’. Het openstaande deurtje van de kooi geeft echter aan dat ontsnapping mogelijk is.
De kooi is uitgevoerd als menselijke schedel, die staat voor het brein waaruit de beperkingen voortkomen. Ook de kop van de vogel is ontdaan van zijn veren en toont de schedel waarin de creativiteit ligt besloten.
De onderkaak is bij de kooi louter om praktische redenen weggelaten. Vervolgens is de vogel ook van zijn de onderkaak ontdaan om zo een balans tussen beide schedelvormen te creëren.
In 2013 heb ik het werk uitgebreid tot een installatie en het – met een knipoog naar René Magritte – een surrealistische uitstraling heb gegeven.